Je bent zelf vies.
Maandag 27 juni 2022

Ik heb geen woorden. Mijn hoofd is leeg. Ik wil zoveel zeggen, maar ik voel het vooral en de woorden blijven weg. Misschien komt het door mijn menstruatie. Of doordat ik net terug ben van vakantie. Misschien ben ik gewoon geen schrijver, alhoewel ik het wel heel leuk vind. Ik ben ook lang van stof, vaak te filosofisch. Daarin lijk ik erg op mijn vader, die soms lange monologen over filosofische gedachtenspinsels deelt. Ik verveel me dan, dus ik hoop niet dat ik op hem lijk maar dat mensen het inspirerend vinden wat ik denk en deel. Er zijn zoveel thema’s waar ik iets over te zeggen heb. Wat ik zelfs van de daken zou willen schreeuwen, waarvan ik zou willen dat iedereen naar mij zou luisteren en zou zeggen: “Wauw, die Simone snapt het leven. Wij gaan vaker naar haar luisteren, want haar woorden verblijden ons”.

Ik zal de onderwerpen vast op een rijtje zetten. Ik vind allereerst dat mensen hun lichaam meer mogen accepteren, en vooral hun dikke lichamen. Maar ook hun dunne lichamen. Hun puistjes, hun oneffenheden, hun ongelijke borsten, hun lange trotslippen, hun kleine rimpelige piemel. Hun rughaar, hun kalknagels, hun rimpels en grijze haren. Hun wallen, hun snor als ze geen snor willen, hun huidskleur. En dan ga ik nog een stapje verder, want in het proces van mijn eigen lichaam steeds meer accepteren merk ik ook dat ik moeite heb met meer dan uiterlijk. Ik vind mezelf vaak vies. Ik vind mezelf vies als ik scheten laat, als ik gaap in de ochtend, als ik voetschimmel heb, als mijn vulva sterk geurt, als ik okselhaar heb, als ik slaapjes in mijn ogen heb, als ik naar zweet ruik, als er zand onder mijn nagels zit. Ik vind mezelf vies én ben daarmee ook bang dat anderen mij een goor wijf vinden als ik mijn handen niet was na toiletbezoek en als ik puisten op mijn billen heb (altijd, ik noem het nu ‘stippelbillen’ en begin het best leuk te vinden).  En al die dingen, ál die dingen: zijn menselijk.

Ik las het boek ‘Vochtige Streken’ van de Duitse Charlotte Roche. Wat een heerlijk, goor boek. Juist omdat het de grenzen van ranzigheid opzoekt realiseerde ik me dat we veel menselijke eigenschappen als ‘vies’ zijn gaan bestempelen en ons ervoor zijn gaan schamen. Wie zakt er niet door de grond van schaamte na het publiekelijk laten van een scheet? Wie durft er wél te poepen in het huis van een nieuwe vlam? Ik zat vorige week in de bieb te studeren en liet een harde scheet, wat ik nauwelijks door had omdat ik geconcentreerd was. Toen ik het me realiseerde -en ook wist dat een paar mensen achter mij het met honderd procent zekerheid gehoord hadden- wilde ik gewoon verdwijnen. Toen dacht ik weer aan dat boek en klonk diep in mij een luide NEE. Nee Simone, ik weiger om me te schamen voor een scheet. Voor zoiets menselijks als lichamelijke gassen. Ik weiger te willen verdwijnen omdat we zo hygiënisch zijn geworden dat we elkaar beschamen voor alledaagse zaken die bij mens-zijn horen. Ik weiger überhaupt me te schamen voor mezelf zijn, maar ik begin nu maar bij een opstandje tegen de overgehygiëniseerde maatschappij.

En zo spreek ik mezelf de afgelopen tijd steeds vaker toe. Vies zijn hoort bij mens zijn. Naar zweet ruiken is normaal, poepen (en dat het dan ook stinkt) is normaal, scheten laten is normaal. Afscheiding in mijn onderbroek hoort bij het hebben van een vagina, net zoals bloedplekken en bleekplekken die al mijn ondergoed verpesten. En zelfs neus peuteren, vet haar, zanderige nagels en voetschimmel zijn dingen die ik niet meer wegstop. Ik ben gewoon vies en ik ben er trots op.

(en je bent zelf ook vies, het is onmogelijk dat niet te zijn)

Het rijtje van onderwerpen waar ik het over wilde hebben moet nog maar even wachten.

x
Simone